'De Schelde' zorgt voor werk.

 

Na het vertrek van de Fransen in 1814 werd de marinewerf overgeplaatst van Antwerpen naar Vlissingen. Vijftig jaar later gingen er geruchten dat deze werf,  die aan zoveel mensen werk bood, uit Vlissingen zou vertrekken. Toen dit in 1868 ook gebeurde, bleef een troosteloos gebied over. Meerdere gegadigden voor het terrein met de bouwloodsen ondernamen pogingen het gebied in handen te krijgen, maar van de rijksoverheid kreeg men steeds nul op het rekest. 

 

Het was koning Willem III die in 1873 bij de opening van de nieuwe havenwerken aan de scheepsbouwkundige ir. B.J. Tideman opdracht gaf, onderzoek te doen naar de vestiging van een particulier scheepsbouwbedrijf. Deze Tideman had als gemeenteraadslid al eerder activiteiten ontplooid om de rijkswerf om te vormen tot een groot scheepsbouw- en reparatiebedrijf. Hoewel Tideman als landsambtenaar zelf geen onderhandelingen kon starten, vond hij in Arie Smit een geschikte kandidaat. De 28-jarige Arie Smit had samen met zijn vader een scheepswerf in Slikkerveer. Er werd een Commanditaire Maatschappij van Koophandel opgericht die het nieuwe bedrijf financieel ondersteunde. Dit maakte de start van de scheepswerf ‘De Schelde’ in 1875 mogelijk.

 

Vier maanden na de oprichting verwierf het bedrijf al het predikaat ‘Koninklijk’, zodat voortaan de volledige naam luidde ‘Koninklijke Maatschappij de Schelde’, kortweg de KMS genoemd. Veel opdrachten leverde het predikaat ‘Koninklijk’ in het begin niet op. Pas vanaf 1893 kreeg de KMS zicht op meer werk door orders van de Koninklijke Marine. Ook de firma Smit & Co zorgde voor enige opdrachten. Een order die tot de verbeelding sprak was de bouw van de ‘Luctor et Emergo’ in 1905, de eerste Nederlandse onderzeeboot uit een serie van zes.

Inmiddels waren de oude loodsen van de marinewerf afgebroken om plaats te maken voor nieuwe fabrieksgebouwen. Het verlengen en verbeteren van beide hellingen was nodig om de schepen - die alsmaar groter en langer werden - te kunnen bouwen. In de maand mei van 1928 brak een grote staking uit die veel rumoer veroorzaakte en die tot begin oktober duurde.

 

Vanaf 1930 kwam er door de sloop van huizen en straten aan de noordkant van ‘het dok’, de Dokkade, ruimte voor een fabrieksterrein. Als gevolg van de beurskrach op Wallstreet in 1929 en de daarop volgende economische crisis moest de KMS in dat jaar 700 werknemers ontslaan. Wat dat betekende voor de Vlissingse samenleving, laat zich raden. Lange tijd was De Schelde de kurk geweest, waarop de economie van Vlissingen kon drijven.  

Voor wat de grootte van de schepen betreft was men lange tijd afhankelijk van de afmetingen van de zeesluizen. Een verbreding van de grote sluis in 1931 tot 35 meter maakte een doorvaart van het flinke motorschip de ‘Dempo’ pas mogelijk..

 

Begin van het oorlogsjaar 1940 leek alles nog normaal te verlopen op de werf. Eén van de onderzeeërs maakte een proeftocht, de torpedobootjager ‘Isaäc Sweers’ liep van stapel en het vierpersoons vliegtuigje S 20 maakt de eerste proefvlucht. Ook kwam de nieuw gebouwde vliegtuigloods aan de Singel gereed en werd de timmerfabriek uitgebreid.

Er stonden verschillende schepen op stapel toen op 10 mei 1940 Duitse troepen het land binnen vielen,. Twee onderzeeërs en de ‘Isaäc Sweers’ konden nog naar Engeland vluchten. Een week later trokken Duitse troepen Vlissingen binnen en namen De Schelde in bezit.         

Spectaculair was het behoud van bouwnummer 214, een passagiersschip van de Rotterdamsche Lloyd. Dit schip had gedurende de gehele oorlogsperiode op de helling gelegen en werd op 1 juli 1947 als de ‘Willem Ruijs’ te water gelaten. De Willem Ruijs en de Zweedse ‘Kungsholm’, overgedragen in 1953,  waren  de laatste passagiersschepen die de KMS bouwde..

 

Literatuur:

G.A. de Kok, e.a.

De Koninklijke weg

Honderd jaar geschiedenis Koninklijke Maatschappij DE SCHELDE te Vlissingen 1875-1975

 

Marinewerf wordt KMS
1875
niets toegewezen De ScheldeDe ScheldeDe ScheldeDe ScheldeDe ScheldeDe ScheldeDe ScheldeDe ScheldeDe Schelde