Economische factor en sociale samenhang.

 

Eeuwenlang kende Vlissingen drie soorten gilden. Met betrekking tot de sociale, maatschappelijke en economische ordening waren zij een belangrijke factor in de Vlissingse samenleving.

 

De eerste groep bestond uit drie schuttersgilden die als een soort krijgsmacht fungeerden. De stadsregering had reeds in 1378 de beschikking over een schuttersgilde van de Handboge met St.-Sebastiaan als schutspatroon. Daarna kwam het gilde van de Eedele Voetbooge met St.-Joris als patroonheilige. Het derde schuttersgilde was van de Bussche of Colveniers  met St.-Adrianus als schutspatroon. Op een stadstekening uit ca 1570 zijn de oefenterreinen van deze drie gilden duidelijk aangegeven.

 

Naast de schuttersgilden waren er de zuiver godsdienstige verenigingen die ook onder de naam van gilde kunnen worden gerangschikt. Dit waren vaak sacramentsgilden die de verering van een bepaald sacrament als doel hadden.

 

Verenigingen van burgers die ongeveer hetzelfde beroep hadden, vormden een derde groep, de ambachtsgilden. Timmerlieden, metselaars, smeden, bakkers, schoenmakers, kleermakers etc. hadden elk hun eigen gilde. Het St.-Pietersgilde van de vissers behoorde naast het St.-Christoffelgilde van de vrije schippers ongetwijfeld tot de oudere gilden. Al in 1569 hadden zij een langdurig conflict over wie nu precies het kustlicht op de Westpoort diende te onderhouden.

 

Elk gilde had een soort bestuur dat bestond uit een overdeken en één of meerdere dekens. De overdeken was altijd een regent die vanuit de vroedschap funtioneerde als een soort toezichthouder. Hij kon deze functie vaak jarenlang behouden. De functie van deken rouleerde onder de vakbroeders. Na één of twee jaar werd op de jaarlijkse bijeenkomst van alle gildebroeders een nieuwe deken gekozen. Die jaarlijkse vergadering, waarbij rekening en verantwoording werd afgelegd, was meestal op de jaardag van de patroonsheilige.

 

Vrijwel ieder gilde had in die vroegere periode een schutspatroon. Zo vergaderde het gilde van de smeden, waarbij ook de nagelmakers, slotenmakers, ketelmakers, kompasmakers en andere aanverwante beroepen waren aangesloten, op 1 december, de jaardag van hun schutspatroon, de Heilige Eligius of St.-Eloy.   In een van de kapellen van de St.-Jacobskerk kwamen de gildebroeders jaarlijks bijeen om gezamenlijk een mis op te dragen. Na de reformatie was het gedaan met de verering van de patroonsheilige. Wat wel bleef, waren de jaarlijkse vergaderingen van elk gilde op de jaardag van de schutspatroon.

Vlissingen kende in de loop der eeuwen 32 ambachtsgilden. Met de komst van de Fransen in 1798 werden ze allen afgeschaft, waarna men een patent moest kopen om een bepaald beroep te mogen uitoefenen.   

 

 

Literatuur:

Jo de Ridder

De geschiedenis van Vlissingen en haar ambachtsgilden.

Gilden
1374-1798
niets toegewezen GildenGildenGildenGildenGildenGildenGildenGildenGilden